Img04Intro

ONTSTAAN & GESCHIEDENIS

Judo is van oorsprong een Japanse zelfverdedigingskunst die geïntroduceerd werd door meester Jigoro Kano.
Na een grondige studie van het oude jujutsu ontwikkelde hij zelf een systeem dat in 1882 resulteerde in de opening van een eigen school onder de naam Kodokan-judo, school tot het onderricht van de zachte weg (ju = zacht of meegevend en do = (levens)weg).

Jigoro Kano had bij de opbouw van de sport de bedoeling om vooral in te zetten op techniek en minder op kracht. Hij besteedde dan ook veel aandacht aan het geestelijke aspect, hetgeen in 1922 uiteindelijk zijn vervolmaking kreeg met de twee spreuken hieronder:

  • Seiryoku-zen'yo (maximale effectiviteit met minimale inzet), of de kracht van de tegenstander gebruiken om hem ten val te brengen.
  • Jita Kyoei (wederzijds profijt en welbevinden), of leren samenwerken om zich de vaardigheden eigen te maken.

Meester Jigoro Kano

jigoro-kano

Na een moeilijke start en minachting van andere jutsu-scholen brak het Kodokan-judo door in 1886. Dat jaar richtte de hoofdstedelijke politie van Tokyo een tornooi in. Hieraan namen 15 judoka's van meester Kano en 15 jutsuka's van meester Totsuka deel. Het werd een 13-0 overwinning voor het Kodokan.

De sport verspreidde zich over Japan en later over gans de wereld. Door de omstandigheden van de 2e wereldoorlog kreeg het judo een ernstige terugslag, niet alleen in Japan, maar ook elders in de wereld.

Na de oorlog steeg het enthousiasme voor judo hoog door geheel Japan. De eerste judokampioenschappen werden gehouden in 1948.
In Europa werd de "Europese Judo Unie" (EJU) (weer) opgericht in 1948 en de "Internationale Judo Federatie" (IJF) kwam tot stand in 1953.
Dit leidde tot de organisatie van het 1e Wereldkampioenschap Judo bij de mannen in 1956. Bij de vrouwen duurde dit tot 1980.
In 1964 werd judo bij de mannen tevens een Olympische sport. Bij de vrouwen duurde dit tot 1992.

BEOEFENING

De judoka die een techniek uitvoert heet tori, de judoka die een techniek ondergaat heet uke.
Een hoofdindeling van de judopraktijk maakt onderscheid in:

  • tachi-waza (staande techniek(en); bij randori: staand gevecht)
  • ne-waza (grondtechniek(en); bij randori: gevecht op de grond)

Daarnaast dient de judoka goed de techniek van het ukemi-waza of valbreken te beheersen.

De diverse gevechtstechnieken van judo worden verdeeld in:

  • nage-waza (werptechniek, worpen)
  • katame-waza (controletechniek)
  • atemi-waza (slag-, stoot- en traptechnieken)

Bij oefenwedstrijden (randori) of officiële wedstrijden zijn alleen werptechnieken (nage-waza) en controletechnieken (katame-waza) toegestaan. Atemi-waza zijn daar (streng) verboden technieken, maar ze komen wel voor in een aantal kata's.

De verschillende werptechnieken kunnen als volgt worden ingedeeld:

  • ashi-waza (beenworpen): werptechnieken uitgevoerd met het been of de voet en uitgeoefend op een been of voet van de tegenstander, nadat die uit balans is of is gebracht.
  • koshi-waza (heupworpen): werptechnieken met behulp van de heup waarbij de tegenstander, wanneer deze uit balans is, over de heup geworpen wordt.
  • te-waza (arm- en schouderworpen): eigenlijk handtechnieken.
  • sutemi-waza (offerworpen): werptechnieken waarbij de uitvoerder zich laat vallen en zodoende het eigen lichaam als het ware 'offert'. De benedenwaartse beweging (achterwaarts of zijwaarts) wordt gebruikt om het lichaam van de tegenstandeer te werpen.

De verschillende controletechnieken worden onderverdeeld in:

  • osae-komi-waza (houdgrepen): technieken waarmee men de tegenstander onder controle kan houden op de grond.
  • ude-kansetsu-waza (armklemmen): controletechnieken waarbij men het ellebooggewricht immobiliseert.
  • shime-waza (verwurgingen)

Kata: het judo kent een aantal kata (vormen) waarin de opgenomen judotechnieken op formele wijze dienen te worden uitgevoerd. Kata kunnen gezien worden als de 'grammatica' of de 'ruggengraat' van het judo. Ze vormen ijkpunten voor de techniek.
Het uitvoeren van kata is een verplicht onderdeel van het danexamen.

GRADUATIE

Ter ondersteuning van het educatief proces wordt een systeem van Kyu- graden en Dan- graden gehanteerd. Om die graden te kunnen behalen moet de judoka zijn kennis van de judotechnieken kunnen aantonen.

De Kyu- graden (leerlinggraden), van 6e Kyu (witte gordel) tot 1e Kyu (bruine gordel), kan je behalen in je club. Ze worden toegekend door de hoofdtrainer, die deze taak in eer en geweten uitvoert.

De Dan- graden (Meestergraden), van 1e Dan tot 10e Dan, worden uitgereikt door de Gradencommissie van de Vlaamse Judofederatie vzw. Klik hier voor meer info.
Hogere Dan- graden, zoals 11e en 12e Dan, worden als eerbewijs uitgereikt.

WEDSTRIJD (Shiai)

Judoka's worden bij wedstrijden naar leeftijd en gewicht ingedeeld. Bij het betreden van de mat of tatami draagt elke deelnemer ofwel een rode of witte gordel ofwel, bij nationale en internationale kampioenschappen, een wit of blauw judopak. De scheidsrechters leiden de wedstrijd. De wedstrijdduur hangt af van de competitie waarin men speelt en kan variëren van 2 tot 4 minuten. Judowedstrijden kunnen zowel individueel als per ploeg georganiseerd worden.

De Tsukinami Shiai is een maandelijkse wedstrijd voor judoka's. Shiai is een deel van het leerprogramma van het judo en onlosmakelijk verbonden aan de vorming van een Dan- graad. Op de Tsukinami Shiai kan men de nodige SDS-punten halen om als wedstrijdjudoka examen af te leggen voor een Dan- graad. Klik hier voor meer info.

Veel judoka's nemen nooit deel aan officiële wedstrijden en beoefenen de judosport recreatief. De pedagogische waarden van het recreatief judo zijn reeds meerdere malen aangetoond.

laatste aanpassing: 06/08/2020
Terug naar de eerste pagina